De kleine goedheid voltrekt zich van mens tot mens. Ze probeert niet per se de gehele mensheid recht te doen, maar één persoon, op dit moment, in deze situatie.
De ander komt mij tegemoet met een vraag of een nood. Ik kijk op — en niet neer — en stel geen reddende, maar een open vraag: wat kan ik voor je doen? Niet vanuit superioriteit, maar door te luisteren, de last van de ander te erkennen en ruimte te laten voor diens waardigheid en eigen kracht. Een handreiking, niet als oplossing, maar als aanwezigheid. Niet groots of allesomvattend, maar concreet en spaarzaam.
Daarvoor is een individueel geweten nodig dat gevoelig blijft voor het leed van een ander, zonder te verharden. En ook de bereidheid om mijn eigen kwetsbaarheid te kennen, in plaats van die te verhullen achter kennis, woorden of daadkracht.
De kleine goedheid is bescheiden en concreet. Ze wacht niet op structuren of systemen die alles moeten oplossen, maar voltrekt zich in kleine, aandachtige handelingen. In schrijven, in delen, in het open laten van vragen. Hoe minder ze wordt uitgeschreeuwd, hoe wezenlijker ze vaak is.
Ze heeft niet de pretentie alles te helen. In het besef van haar eigen eindigheid laat ze haar hoogmoed achter zich. Het gaat om één handeling, afgestemd op één concrete nood, bij één unieke ander.
Deze tekst is geïnspireerd op een lezing van Dirk de Wachter over Emmanuel Levinas en de kleine goedheid. Zij vormt mijn eigen verwoording en toepassing daarvan.
